**1..** Gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Parkeerverordening 2010 wordt het uitgifteplafond voor parkeervergunningen, per parkeerzone jaarlijks voor aanvang van het nieuwe kalenderjaar berekend. De maatstaf voor de berekening van het uitgifteplafond wordt bepaald aan de hand van het aantal parkeerplaatsen en het verwachte gebruik hiervan, waarvan
verwacht wordt dat deze gedurende het jaar waarin de parkeervergunningen zijn verleend, gehandhaafd blijven of zullen ontstaan.
**2..** Indien het aantal beschikbare betaald parkeerplaatsen in een parkeerzone gedurende het kalenderjaar met meer dan vijf procent toe- of afneemt, kan het college het uitgifteplafond opnieuw vaststellen.
**3..** Per 1 januari 2011 bedraagt het uitgifteplafond voor parkeervergunningen Bewoners:
voor parkeerzone B1: 320,
voor parkeerzone B2: 183,
voor parkeerzone D1: 367,
voor parkeerzone D2: 470,
voor parkeerzone M1: 255,
voor parkeerzone M2: 56,
voor parkeerzone M3: 85,
voor parkeerzone W1: 559,
met dien verstande dat de daadwerkelijk te verlenen parkeervergunningen Bewoners 95 procent van het uitgifteplafond per parkeerzone bedraagt.
**4..** In afwijking van het derde lid kan voor eerste bewonersparkeervergunningen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, het uitgifteplafond worden gehanteerd.
**5..** Per 1 januari 2011 bedraagt het uitgifteplafond Zakelijk, Detailhandel en Horeca, Scholen met uitzondering van een werkparkeervergunning als bedoeld in artikel 12:
voor parkeerzone B1: 70,
voor parkeerzone B2: 732,
voor parkeerzone D1: 98,
voor parkeerzone D2: 118,
voor parkeerzone M1: 170,
voor parkeerzone M2: 169,
voor parkeerzone M3: 256,
voor parkeerzone W1: 62,
met dien verstande dat de daadwerkelijk te verlenen parkeervergunningen Zakelijk, Detailhandel en Horeca en Scholen 95 procent van het uitgifteplafond per parkeerzone bedraagt.
Artikel 2
Uitgifteplafond parkeervergunningen
Onderdeel van Besluit uitgifte parkeervergunningen 2010