De volgende gedragingen waarop afstemming kan volgen, worden onderscheiden.
Als gevolg van het niet nakomen van de informatieverplichting leveren de volgende gedragingen een verlaging op van 5% gedurende één maand:
het niet terstond een identiteitsbewijs ter inzage tonen;
verplichting tot melding van verrichten vrijwilligerswerk;
het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan.
Als gevolg van het niet nakomen van de medewerkingsverplichting leveren de volgende gedragingen een verlaging op van 5% gedurende drie maanden:
het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij vijf uitzendbureau´s en deze inschrijving steeds tijdig doen verlengen;
het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en wethouders verstrekken van een exemplaar van de bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand.
Als gevolg van het tonen van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan leveren de volgende gedragingen een verlaging op van 10% gedurende drie maanden:
De verplichting tot het instellen van een alimentatievordering;
Het niet voldoen aan verplichtingen strekkende tot vermindering of beëindiging van bijstand, bijvoorbeeld de verplichting om over te gaan tot boedelscheiding.
Als gevolg van het tonen van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan levert een te snelle intering op het eigen vermogen een verlaging op van 20% gedurende de periode waarover te snel in ingeteerd.
Als gevolg van het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid worden de volgende categorieën gedragingen gehanteerd:
Eerste categorie:
het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing op opleiding.
Verlaging: 10% gedurende drie maanden.
Tweede categorie:
gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats te verschijnen;
het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding, dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.
Verlaging: 20% bij het eerste verzuim, bij herhaling treedt een verdubbeling op van de verlaging, die uiteindelijk kan oplopen tot 100%.
Derde categorie:
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het door eigen toedoen niet behouden va—n arbeid in dienstbetrekking.
Verlaging: 100% gedurende één maand.
Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens het college of zijn ambtenaren, volgt een afstemming van de bijstand. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën van gedragingen: verbaal (mondelinge en schriftelijke uitlatingen), fysiek geweld en vernielingen.
Eerste categorie:
Verbaal geweld (mondelinge en schriftelijke uitlatingen)
Verlaging: maximaal 10% gedurende drie maanden
Tweede categorie:
Fysiek geweld
Verlaging: maximaal 30% gedurende drie maanden
Derde categorie:
Vernielingen
Verlaging: maximaal 30% gedurende drie maanden
Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond en de informatieverplichting niet is nagekomen, volgt een verlaging van de bijstand die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, waarbij wordt uitgegaan van een benadelingsbedrag kleiner dan € 6.000,--.
Bij een benadelingsbedrag hoger dan € 6.000,-- wordt altijd proces verbaal opgemaakt en volgt aangifte bij het Openbaar Ministerie. Bij de afstemming wordt uitgegaan van tien procent van het benadelingsbedrag, waarna een maandelijkse verlaging van de bijstand wordt toegepast van tien procent totdat het bedrag (dus 10% van het benadelingsbedrag) geheel is ingelost.