Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 6

De voorwaarden voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit bij de verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning

Aan het verstrekken van een persoonsgebonden budget worden de volgende voorwaarden verbonden: De voorziening moet binnen twee maanden leverbaar zijn. De voorziening wordt verstrekt voor een bepaalde termijn, welke termijn in de beschikking wordt opgenomen. De gebruiker is verplicht om wijzigingen in de situatie die van invloed kunnen zijn op de verstrekking aan de gemeente door te geven. Als waarborg dat de aanvrager een adequate voorziening aanschaft, moeten de materiële voorzieningen, woonvoorzieningen, rolstoel en verplaatsingsmiddelen, voldoen aan het programma van eisen dat door de gemeente is opgesteld. Voor zover van toepassing moeten deze voorzieningen het CE keurmerk hebben. Een materiële voorziening wordt lineair afgeschreven in zeven jaar. Voor de sportrolstoel of andere sportvoorziening voor sportbeoefening geldt een afwijkende termijn van drie jaar (zie verder artikel 18). Voor de meerwaarde van de woning geldt een afwijkende termijn van tien jaar (zie verder artikel 17). Wanneer de materiële voorzieningen binnen de afschrijvingstermijn niet meer nodig zijn of vervangen moeten worden, wordt het restbedrag teruggevorderd of verrekend met het persoonsgebonden budget voor de volgende voorziening. Het is niet mogelijk om een voorziening bij de gemeente in te ruilen die met een persoonsgebonden budget is aangeschaft. De budgethouder of diens vertegenwoordiger moeten de restwaarde van de voorziening zelf te gelde maken. De kosten voor onzorgvuldig gebruik komen voor rekening van de gebruiker van de voorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel