Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 12

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Wijchen

Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB of artikel 20 van de IOAW of IOAZ, maar anders dan door gedragingen als bedoeld in artikel 11 van deze Verordening, leidt dit tot een verlaging van: de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9 van deze verordening indien de belanghebbende door de gedraging verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een uitkering krachtens een werknemersverzekering of sociale voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering; de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9 van deze verordening indien de belanghebbende voorafgaande aan de uitkering door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden, dan wel aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd; De vijfde categorie als bedoeld in artikel 9 van deze verordening (100% van de bijstandsnorm of de grondslag of 100% van de bijzondere bijstand), maar waarbij de duur van de verlaging, anders dan in artikel 9 van deze verordening is bepaald, wordt gerelateerd aan de periode die belanghebbende niet of minder op uitkering of bijzondere bijstand zou zijn aangewezen indien hij van zijn recht op een voorliggende voorziening, anders dan bedoeld onder sub a., gebruik had gemaakt; De vijfde categorie als bedoeld in artikel 9 van deze verordening indien belanghebbenden(n) geen beroep meer kan doen op een passende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, echter met dien verstande dat een verlaging wordt opgelegd volgens de derde categorie, maar waarbij de duur van de verlaging, anders dan in artikel 9 van deze verordening is bepaald, wordt vastgesteld op: de periode die belanghebbende niet op uitkering of bijzondere bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken zou hebben aangewend. Onder deze gedraging valt in ieder geval een onverantwoorde besteding van vermogen, waaronder begrepen het doen van schenkingen, op een moment dat de noodzaak van uitkeringsverlening aanwezig was of redelijkerwijs was te voorzien. Indien het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid geen van de onder het eerste en tweede lid genoemde gedragingen betreft, bepaalt het college individueel de hoogte en de duur van de verlaging.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel