Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 28b

Gewenningsuitkering voormalige alleenstaande ouder

Onderdeel van Besluit socialezekerheidswetten Stadskanaal 2013

Aan de alleenstaande ouder wordt bijzondere bijstand verleend als het laatste inwonende kind de leeftijd van 18 jaren bereikt en dit kind een WWB-uitkering heeft. De hoogte is het verschil van de norm alleenstaande ouder met maximale toeslag en kinderbijslag, minus de norm voor een alleenstaande met maximale toeslag en de jongerennorm van het inwonende ten laste komend kind. Aan de alleenstaande ouder wordt bijzondere bijstand verleend als het laatste inwonend kind de leeftijd van 18 jaren bereikt en dit kind studiefinanciering heeft. De hoogte is het verschil van de norm alleenstaande ouder met maximale toeslag en kinderbijslag, minus de norm voor een alleenstaande met maximale toeslag en de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen voor levensonderhoud voor een thuiswonende studerende uit de Wet Studiefinanciering 2000. De duur van de gewenningsuitkering bedraagt zes maanden, met dien verstande dat in de eerste drie maanden het gehele verschil wordt uitgekeerd en de volgende drie maanden de helft van het verschil. Bij de bepaling van de hoogte van de gewenningsuitkering wordt de kinderbijslag, door de ouder ontvangen, voor het restant van het kwartaal waarin het kind 18 jaar wordt, op een eventueel aan dat kind toegekende bijstandsuitkering in mindering worden gebracht.

Rechtspraak bij dit artikel