Aan de belanghebbende kan, bij aanvang van de uitkering, in het geval in het geheel geen middelen bezit om de eerste maand na aanvraag van de uitkering in de eigen levensonderhoud te voorzien een overbruggingsuitkering worden verstrekt.
Bij de beoordeling of een belanghebbende in aanmerking kan komen voor een overbruggingsuitkering wordt rekening gehouden met alle financiële middelen waarover een belanghebbende beschikt, dan wel later alsnog kan beschikken, daarbij geldt in ieder geval:
geen vrijlating van het vermogen;
het positieve saldi op bankrekeningen van alle inwonende gezinsleden.
De overbruggingsuitkering wordt om niet verstrekt.
In afwijking van het derde lid wordt bij een scheiding de overbruggingsbijstand verstrekt als leenbijstand zolang de boedel nog niet is verdeeld. Indien na verdeling blijkt dat er sprake is van vermogen wordt de overbruggingsbijstand op grond van artikel 36 van dit besluit teruggevorderd.
De hoogte van de bijzondere bijstand zoals bedoeld in dit artikel bedraagt:
€ 40,00 per week / € 175,00 per maand voor de alleenstaande;
€ 70,00 per week / € 305,00 per maand voor een echtpaar of alleenstaande ouder als leefgeld;
indien noodzakelijk, de voor de belanghebbende geldende maandhuur, onder aftrek van de huurtoeslag.
Hoofdstuk
Artikel 28a
Overbruggingsuitkering bij aanvang van de uitkering (platzak situatie)
Onderdeel van Besluit socialezekerheidswetten Stadskanaal 2013