Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
gebouwen.
Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
in, op of onder het gebouw, danwel op of onder het
onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
Hiervan is slechts sprake wanneer het aantal te realiseren
parkeerplaatsen voor parkeren of stallen van auto's in, op
of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
terrein, dat bij dat gebouw hoort, is bepaald overeenkomstig
de normen en werkwijze in de "Notitie parkeernormen 2003",
zoals vastgesteld op 30 maart 2004 of zoals deze laatstelijk
is vastgesteld.
De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn
voldaan:
indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij
6,00 m bedragen;
indien de afmetingen van een gereserveerde
parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die
ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel onder het
onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
het bepaalde in het eerste en het vierde lid:
indien het voldoen aan die bepalingen door
bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
stuit; of
voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
voorzien.
Aan het verlenen van een ontheffing kunnen burgemeester en
wethouders een financiële voorwaarde verbinden.