Aansluiting anders dan aan de openbare riolering.
Indien de in de artikelen 28, 123, 199, 242, 269 en 375 van
het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën
alsmede de in de artikelen 29, 124, 200, 243 en 270 van het
Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
bepalingen:
leidingen voor fecaliën afkomstig uit toiletten met
waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
overstort;
leidingen voor fecaliën afkomstig uit toiletten zonder
waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort,
een gierput of een rottingput met overstort;
leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
van afvalwater zonder fecaliën alsmede overstorten van
rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
van water, bodem of lucht kan optreden; d. leidingen voor de
afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer
op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
lucht mogelijk is.
Artikel 2.7.6.
Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
terreinen.
Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
heidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
haaks plaatsvinden. Door doorvoeringen moeten waterdicht
zijn aangewerkt.
De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen
aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat
de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.
In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen buurputten of
rottingputten voorkomen.
Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten
een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan,
indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
1997.
Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
leiding voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en
hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist,
een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
mm.
Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en
terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt
geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het
bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage
7.