De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
voorgevelrooilijn en bevindt zich:
in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
gelijk aan de helft van de straal van de
ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
kan worden beschreven, geldt de grootste;
in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter;
in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter;
in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
langs deze twee zijden op een afstand van de
voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;
in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
met van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
voorgevelrooilijn dan 15 meter.
Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
meter terugliggen ten opzichte van beide
achtergevelrooilijnen.
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
hoekbebouwing dit toelaten.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.11
Ligging achtergevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening 2012