Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de
maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
een omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
in de bebouwde kom één maal de afstand tot de
tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
bouwblok;
buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
bouwblok.
De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien
de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde
van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen
de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
voorgevelrooilijn.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil
tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige
terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van
de bouw.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.21
Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening 2012