Naar hoofdinhoud
1.. De raad stelt tenminste bij de aanvang van de nieuwe raadsperiode een programma-indeling voor de raadsperiode vast. 2.. De raad stelt per programma vast: de beoogde maatschappelijke effecten (outcome): wat willen we bereiken de te leveren goederen en diensten (output): wat gaan we daarvoor doen de lasten (input): wat mag het de kosten 3.. De raad autoriseert met het vaststellen van de programmabegroting de investeringsbudgetten. 4.. Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking tot de beoogde maatschappelijke effecten (outcome) en de te leveren goederen en diensten (output). 5.. De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid, vast. 6.. Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten (output) en de maatschappelijke effecten (outcome), zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. 7.. Bij iedere begroting en jaarstukken wordt per programma een overzicht gegeven welke producten onder het programma horen. 8.. De onderverdeling van de programma’s in de producten staat voor de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigen; dit wordt dan bij de begroting expliciet gemeld.

Rechtspraak bij dit artikel