Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3. › Paragraaf 3.

Artikel 27.

Gedraging en percentage van verlaging

Onderdeel van Verordening investeren in jongeren

1.. Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een verlaging toegepast van vijf procent van de Wij-norm. 2.. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de afstemming gerelateerd aan de hoogte van het benadelingsbedrag. 3.. De afstemming bedoeld in het tweede lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: tien procent van de Wij-norm; bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: twintig procent van de Wij-norm; bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: veertig procent van de Wij-norm; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: honderd procent van de Wij-norm. 4.. Bij een gedraging, inhoudende schending van een verplichting als bedoeld in artikel 45 van de wet wordt de afstemming vastgesteld op twintig procent van de Wij-norm. 5.. Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, wordt een afstemming toegepast van honderd procent van de Wij-norm. 6.. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden kan het percentage van de verlaging worden gewijzigd in een hoger of lager percentage dan de in die leden genoemde als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere daartoe aanleiding geven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel