1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden.
2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor naar zijn oordeel dringende redenen aanwezig zijn.
3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt dit aan de belanghebbende schriftelijk bekendgemaakt.
Hoofdstuk 1
Artikel 4
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ gemeente Vlaardingen 2013