De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet worden betaald
bij de aanvang van het
Parkeren.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting
worden betaald vóór het
verlaten van het terrein, waarbij betaling plaatsvindt met behulp
van het toegangskaartje in
de centrale parkeerapparatuur.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig
de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning
wordt verleend.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
Artikel 8. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen
De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop
tegen betaling van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel
a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college
bij openbaar te maken besluit.
Artikel 7.
Termijnen van betaling
Onderdeel van VERORDENING op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013