**1..** Het college legt een of meer maatregelen op grond van deze verordening op, indien, naar het oordeel van het college, de belanghebbende:
zich jegens het college zeer ernstig misdraagt;
zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende ingezet heeft voor de bestaansvoorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAZ.
**2..** Het college legt een maatregel op naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de wetten zou hebben kunnen verwerven, indien, naar het oordeel van het college:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;
de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of
de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
HOOFDSTUK 1
Artikel 2
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van MAATREGELVERORDENING IOAW/IOAZ 2013 GEMEENTE OEGSTGEEST