Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 26

Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen

Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden

In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient. Op basis van dit artikel worden vergoedingen verstrekt aan de leden van de Commissie Bezwaarschriften, de Ombudscommissie, de beleidscommissie Algemene bijstandswet c.a., de bezwarencommissie personele zaken, de marktcommissie en de Commissie zelfstandigen. Ook vindt betaling van de 'schaduwfractieleden' bij eenpersoonsfracties die de oriënterende rondes bijwonen haar grondslag in dit artikel. De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager bedrag vaststellen. Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde lid, van de verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen.

Rechtspraak bij dit artikel