Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.

Begripsomschrijving

Onderdeel van Verzamelverordening Wet investeren in jongeren

In deze verordening wordt verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente; de WIJ of de wet: de Wet investeren in jongeren; algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede zeden; startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend weten-schappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs; WIJ-norm: het bedrag van de inkomensvoorziening waarop de jongere volgens hoofd- stuk 4 van de WIJ recht heeft, vermeerderd of verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of verlaging op grond van hoofdstuk 5 van deze verordening; maatregel: het verlagen van de WIJ-norm op grond van artikel 41 van de WIJ; benadeling: het bruto bedrag van de verleende WIJ-norm en/of de kosten van het werkleeraanbod dat door het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 41 genoemde verplichtingen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Voor het toepassen van hoofdstuk 5 van deze verordening (toeslagenbeleid) wordt verstaan onder: normbedrag: de toepasselijke naar leefvorm vastgestelde norm voor de jongere bedoeld in de artikelen 26 tot en met 28 van de wet. toeslag: het verhogen van het normbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders met ten hoogste 20% van het normbedrag voor gehuwden. verlagen: het verlagen van het normbedrag voor gehuwden met ten hoogste 20 % van het normbedrag voor gehuwden. woonkosten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het enkele gebruik van woonruimte waarin feitelijk verblijf wordt gehouden. woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin feitelijk verblijf wordt gehouden. onderhuur/medebewonen op commerciële basis: het onderhuren/medebewonen van woonruimte of een deel ervan op contractbasis, waarbij: 1e. het te onderhuren/mede-te-bewonen deel zelfstandig geschikt is voor bewoning, 2e. de prijs per maand voor het medebewonen minstens gelijk is aan 15% van het normbedrag voor gehuwden en 3e. de onderhuurder/medebewoner staat ingeschreven in de basis- administratie van de gemeente op het onderhuur-/medebewoonadres. g hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in de woonruimte hoofdverblijf heeft. woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j van de Wet op de huurtoeslag alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, lid 6, van de Wet werk en bijstand. schoolverlater: de persoon die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding en die voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak had op studiefinanciering WSF of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage of schoolkosten op grond van de WTOS. zorgbehoevende: een belanghebbende die, als niet te samen met een ander de woning zou worden bewoond, op basis van een indicatiestelling zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden. Onder beroepsmatige hulp wordt mede begrepen een situatie waarin thuiszorg het alternatief is voor ambulante zorg of dagverpleging in een zorg-/verpleeg- instelling. De definities en algemene bepalingen van de WIJ zijn op deze verordening van toepassing, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel