Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 9

Benoeming raadsleden en wethouders

Onderdeel van Reglement van Orde voor de raad en de raadscommissies (3e wijziging)

1. De raad stelt aan het begin van elke raadsperiode een vaste commissie in bestaande uit drie leden en een plaatsvervanger afkomstig uit de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven  en de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden. 2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit tot toelating. In het verslag  wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. 3. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de  aatste samenkomst van de raad in oude samenstelling na de verkiezingen. 4. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te  leggen. 5. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te  leggen. 6. Bij de benoeming van een wethouder onderzoekt de commissie genoemd in het eerste lid of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. Op de  werkwijze van deze commissie is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel