In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de
belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een
jaarlijkse belasting gedurende 10 jaren. Het verzoek genoemd in de
eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de
aanslag schriftelijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b,
van de Gemeentewet, bedoelde gemeenteambtenaar te worden
ingediend.
Het belastingjaar loopt van 1 juli van enig jaar tot en met 30 juni
van het daarop volgende jaar.
De jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal
verschuldigde bedrag, berekend op basis van een periode van 10 jaar
en een rentevoet van 4 %.
De belasting over de nog niet aangevangen belastingjaren kan elk
jaar door de belastingplichtige worden afgekocht. Hiertoe dient een
schriftelijk verzoek te worden ingediend, voorafgaand aan het eerste
belastingjaar van de periode, waarop de afkoop betrekking heeft. De
afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 juli van
het eerste belastingjaar van de periode waarop de afkoop betrekking
heeft, nog te verschijnen belastingbedragen, berekend naar een
rentevoet van 4 %.
Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een
jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het
belastingtijdvak als bedoeld in het eerste lid eindigt of
wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of
beperkt recht, wordt de nieuwe genothebbende krachtens
eigendom, bezit of beperkt recht, met ingang van het
eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor
de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak,
berekend overeenkomstig het vierde lid van dit artikel.
In afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op
verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige
de jaarlijkse heffing overeenkomstig het eerste lid
gecontinueerd. Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na
de dagtekening van de aanslag ingevolge onderdeel a,
schriftelijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b,
van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te worden
ingediend.
Ingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse
heffing en in de loop van het belastingtijdvak de eigendom, het
bezit of het beperkt recht van een gedeelte van de onroerende zaak
wordt overgedragen, wordt voor de verdeling van de resterende
belastingschuld de maatstaf van heffing voor de betreffende
onroerende zaken opnieuw vastgesteld voor de nog niet aangevangen
belastingjaren volgens de formule A/B x C.
Voor deze formule geldt:
de oppervlakte van de na de overdracht bestaande onroerende
zaak;
de oppervlakte van de voor de overdracht bestaande
onroerende zaak;
de resterende belastingschuld voor de op het moment
van de overdracht nog niet aangevangen belastingjaren, zoals
deze gold voor de voor de overdracht bestaande onroerende
zaak.
Artikel 6
– Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting.
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van de baatbelasting herziening winkelgebied Burg. van Hoofflaan.