**1.** Het college weigert de subsidieverlening in ieder geval indien naar
zijn oordeel:
de noodzaak van het project niet is aangetoond;
het project onvoldoende doelmatig is;
de kosten van de werkzaamheden niet in redelijke verhouding
staan tot het te verkrijgen resultaat;
de aanvraag in strijd is met het gestelde bij of krachtens
deze verordening;
de aanvraag niet past binnen overig gemeentelijk
beleid;
er gegronde redenen zijn, geen vertrouwen te hebben in de
uitvoering van het project;
door reeds toegezegde subsidies het door de gemeenteraad
ingestelde subsidieplafond in enig jaar is bereikt.
**2.** Het college kan de subsidieverlening voorts in ieder geval weigeren
indien zonder zijn toestemming al een begin is gemaakt met de
werkzaamheden.
**3.** Indien de ingediende aanvragen om subsidieverlening het
subsidieplafond doen overschrijden, verleent het college subsidie op
volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
**4.** Het bedrag van de subsidie wordt zodanig vastgesteld, dat de
bijdrage uit de gemeentelijke middelen, rekening houdend met
bijdragen uit andere overheidsmiddelen, in overeenstemming is met
bepalingen van Europees recht met betrekking tot
medefinanciering.
**5.** Het bedrag van de gemeentelijke subsidie wordt bepaald met in acht
name van de eigen investeringen van de aanvrager en de bijdragen van
de medefinanciers en is ten hoogste een derde deel van het totale
investeringsbedrag van het project met een maximum van €
10.000,-.
**6.** Aanvragen die het bedrag van € 10.000,- overstijgen kunnen, met in
acht name van het hiervoor genoemde derde lid, door het college aan
de gemeenteraad voor besluitvorming worden voorgelegd
Afdeling 1.5
Artikel 7