Voor het verkrijgen van de in artikel 4 bedoelde subsidie zendt de in artikel 1 bedoelde instantie binnen 30 dagen na afloop van het schooljaar bij burgemeester en wethouders een opgave in, vermeldende voor elke school afzonderlijk:
de naam van de leerkracht(en), belast geweest met het geven van godsdienstonderwijs;
de lesuren welke werden gegeven;
de dagen en uren gedurende welke deze lesuren werden gegeven;
de groepen;
de aantallen leerlingen, die iedere les hebben bijgewoond.
Deze opgave wordt, vóór de inzending, door het hoofd van de betreffende onderwijsinstelling gewaarmerkt.