**1..** Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
**2..** Het verbod geldt niet voor zover het betreft:
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
dergelijke;
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
geen afvalstoffen worden verbrand;
vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen
gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
oplevert;
het verbranden van schoon snoeihout in de maanden
oktober t/m maart in het buitengebied van de gemeente
Brummen. Voor het stoken van een paasvuur is altijd een
ontheffing nodig. Zelf als Pasen binnen deze periode
valt.
**3..** Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
**4..** Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
**5..** Voor zover er sprake is van een situatie, zoals omschreven in
lid 2, onder d. dient voldaan te worden aan de volgende
voorwaarden:
Er mag alleen snoeihout afkomstig van
landschapsonderhoud en erfbeplanting worden
verbrand;
Er mag geen snoeihout, dat is ontstaan binnen de
bebouwde kom, naar het buitengebied worden overgebracht
om daar te verbranden;
De totale hoeveelheid te verbranden snoeihout mag
maximaal 50 m3 zijn. Dit mag geen bedrijfsmatig kap- en
snoeihout betreffen. Het mee verbranden van andere
(afval)stoffen is nadrukkelijk niet toegestaan;
Vanaf de brandplaats moet de afstand tot woningen van
derden en bos- en heidegebieden minimaal 100 meter
bedragen. De afstand tot brandbare objecten (gebouwen)
en wegen moet minimaal 50 meter bedragen;
De brandplaats mag een maximale oppervlakte hebben van
20 m2.
Er mag geen verbranding binnen het terrein van een
inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer
plaatsvinden;
Er moet worden zorggedragen dat er geen verontreiniging
van de bodem dan wel oppervlaktewater optreedt. Artikel
13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) en artikel
6.2 van de Waterwet mogen niet worden overtreden. Voor
het maken van vuur mag daarom geen gebruik worden
gemaakt van vloeibare brandstoffen;
Vanaf de brandplaats moet een afstand van minimaal 5
meter tot een watergang worden aangehouden;
Het verbranden van snoeihout moet geschieden op een
voorziening, zoals bijvoorbeeld beton, stenen, tegels of
metal;
De verbrandingsresten moeten binnen 72 uur na de
verbranding op een verantwoorde wijze worden verwijderd
en afgevoerd;
De weersomstandigheden moeten voldoen aan de volgende
twee eisen:
Het moet droog weer zijn, dus bij regen of mist
mag er geen verbranding plaatsvinden;
De windkracht mag maximaal 5 Beaufort zijn (max.
10,7 m/s).
Er mag geen gevaar of overlast voor de omgeving
optreden. Dit geldt zowel voor buurtbewoners als het
verkeer;
Er moet onafgebroken toezicht zijn op het vuur door een
meerderjarige;
Er moet worden zorggedragen voor een goed brandend vuur,
zodat zo min mogelijke rookontwikkeling plaatsvindt.
Verder moet zodanig worden gestookt, dat er geen
vliegvuur of hinder ten gevolge van rook kan ontstaan.
Bij hinder aan derden moet het stoken direct worden
beëindigd;
Er moeten voldoende blusmiddelen aanwezig zijn om,
indien nodig, het vuur te temperen of te doven. Dit kan
bijvoorbeeld met (een combinatie van) de volgende
blusmiddelen:
een schop en voldoende zand;
een tuinslang of emmers water;
een brandblusser.
Verbranding mag slechts plaatsvinden tussen zonsopgang
en zonsondergang;
Er mag geen verbranding plaatsvinden op zon- en
feestdagen, met uitzondering van paas- en
kampvuren;
Aanwijzingen van het bevoegd gezag (zoals politie,
brandweer of gemeente) worden in verband met openbare
orde en/of veiligheid direct gevolgd.
**6..** Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 8.
Artikel 5:28
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Brummen 2013