**1..** Het college stelt de maatregel vast op:
vijf procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag
gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
tien procent van betreffende bijstandsnorm en/of grondslag
gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
twintig procent van betreffende bijstandsnorm en/of
grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de derde
categorie;
honderd procent van de bijstandsnorm en/of grondslag
gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
**2..** De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen een periode van
twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
is opgelegd dan wel een waarschuwing is gegeven, opnieuw schuldig
maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie.
**3..** Indien de belanghebbende ook na toepassing van het bepaalde in het
tweede lid binnen een periode van twaalf maanden na bekendmaking van
het besluit waarbij een maatregel is opgelegd blijft volharden in
zijn verwijtbare gedraging kan het college de maatregel voor
onbepaalde tijd opleggen.
**4..** Het college kan, in afwijking van het eerste lid, de hoogte van de
maatregel hoger of lager vaststellen, tot een minimum van vijf
procent en een maximum van honderd procent, rekening houdend met de
ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
individuele omstandigheden van de belanghebbende.
HOOFDSTUK 2
Artikel 11
De hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, Ioaw en Ioaz gemente Opmeer 2013