Burgemeester en Wethouders kunnen de ligplaatsvergunning intrekken indien:
de ligplaatsvergunning ten gevolge van onjuiste opgave of informatie is verleend;
de gegevens in de ligplaatsvergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie;
niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften;
het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente of het landschap verstoort;
het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet meer voldoet aan de door Burgemeester en Wethouders vastgestelde eisen van veiligheid en gezondheid;
het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft zonder toestemming van Burgemeester en Wethouders gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten weken buiten de gemeente verblijft;
op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de ligplaats vergunning, danwel niet ingevolge artikel 8 lid 3 aan Burgemeester en Wethouders zijn gemeld;
het woonschip wordt gebruikt voor een ander doel dan als hoofdverblijf van één of meer personen;
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist, intrekking of wijziging wordt gevorderd;
de vergunninghouder hierom verzoekt.