Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 12

Datum, vraagstelling en procedure

Onderdeel van Referendumverordening gemeente Winterswijk 2008

1.. De raad stelt de dag vast waarop het referendum wordt gehouden, met dien verstande dat het referendum niet later plaatsvindt dan drie maanden na de dag waarop de raad overeenkomstig artikel 6 of artikel 7 heeft besloten tot het houden van het referendum. De raad kan als daar een aanleiding voor is besluiten deze termijn te verlengen, onder meer om het referendum te kunnen combineren met algemene verkiezingen. 2.. De raad stelt tenminste vier weken voor het te houden referendum, de vraagstelling van het referendum vast. 3.. In het niet-correctief raadgevend referendum wordt aan de stemgerechtigden gevraagd of zij voor of tegen het voorgenomen besluit zijn. 4.. In het correctief raadgevend referendum wordt aan de stemgerechtigden gevraagd of zij voor of tegen het genomen besluit zijn. 5.. In het raadplegend referendum wordt aan de stemgerechtigden gevraagd of zij voor of tegen een mogelijk door de raad te nemen besluit zijn, dan wel wordt aan hen de keuze uit een aantal alternatieven voorgelegd. Bij de keuze uit meerdere alternatieven wordt duidelijk aangegeven hoe de uitslag wordt vastgesteld. 6.. Het college is verantwoordelijk voor de organisatie van het referendum en de communicatie. 7.. Het referendum kan gecombineerd worden met landelijke, provinciale of gemeentelijke verkiezingen. Het referendum vindt niet plaats in een vakantieperiode noch op zon- en feestdagen. 8.. Er kunnen meerdere referenda op een dag worden gehouden. 9.. Indien de aanleiding tot het houden van een referendum komt te vervallen kan de raad besluiten het referendum niet te laten plaatsvinden. 10.. De raad kan bepalen op welke wijze gestemd wordt. 11.. Uiterlijk vier weken voor de datum waarop het referendum wordt gehouden worden alle relevante stukken ter inzage gelegd op een aantal door het college te bepalen plaatsen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel