In de belastingverordening kunnen bepalingen staan die aanspraak geven op een gehele of gedeeltelijke vermindering, vermindering, ontheffing of teruggaaf. Artikel 242 van de Gemeentewet regelt de termijn waarbinnen en de wijze waarop een in de verordening voorziene vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf dient te worden gevraagd. Bij een teruggaaf wordt een op zich juist vastgesteld belastingbedrag niet verlaagd, maar teruggegeven als gevolg van een omstandigheid waarmee bij de heffing geen rekening kon of mocht worden gehouden. De teruggaaf leidt dus niet tot vermindering van de aanslag of het gevorderde bedrag, maar tot een teruggaaf. Deze wordt bij afzonderlijke beschikking vastgesteld.
Een voorbeeld hiervan is de teruggaaf van bouwleges indien van een verleende bouwvergunning geen gebruik wordt gemaakt. De teruggaaf kan min of meer als een in de verordening geregelde hardheidsclausule worden gezien.
Er zijn gevallen denkbaar waar de verordening niet in teruggaaf voorziet, terwijl deze teruggaaf toch gerechtvaardigd moet worden geacht. Leidt bijvoorbeeld het in behandeling nemen van een aanvraag om verstrekking van een stuk niet tot uitreiking daarvan en zijn er door de gemeente geen werkzaamheden verricht, dan kan er reden bestaan voor een ambtshalve teruggaaf op leges (op grond van de zogenoemde hardheidsclausule; art. 63 Awr). Afhankelijk van de verrichte werkzaamheden kan ook gedeeltelijk teruggaaf worden verleend.