Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Tarieven

Onderdeel van Verordening Leges 2009

Tariefstelling en kostendekkendheid Op 1 januari 1990 is in werking getreden de Wet van 3 juli 1989 (Stb. 1989, 302), tot wijziging van de gemeentewet op het stuk der belastingen (limitering onroerendgoedbelastingen, leges en rechten). Deze wet had tot gevolg dat vanaf 1 januari 1990 een legesverordening niet werd goedgekeurd indien de geraamde baten van de leges uitgaan boven de geraamde gemeentelijke lasten ter zake. Vanaf 1 januari 1994 mag de legesverordening maximaal kostendekkend zijn. Dit is geregeld in artikel 229b van de Gemeentewet. Deze bepaling is in verband met het vervallen van het preventief toezicht op gemeentelijke belastingverordeningen met ingang van 1 juli 1996 tekstueel aangepast. Daarmee is echter geen materiële wijziging beoogd. Dit betekent dat de legesverordening in zijn geheel op kostendekkendheid zal worden beoordeeld. In het kader van het preventief toezicht is dat ook steeds door de minister van Binnenlandse Zaken (tot 1 januari 1995 door de Kroon) zo getoetst. Ook de belastingrechter heeft zich op dit standpunt gesteld. (Hoge Raad, 4 februari 2005, nr. 38860; LJN:AP1951) Niet elke post zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden beoordeeld. Dit laatste zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit dat de kosten voor de individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Soms kunnen slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie bijvoorbeeld de artikelen 3:22, derde lid, 3.44, zesde lid, en 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19.1 van de Wet milieubeheer. Een aantal van deze artikelen is aan de orde geweest in de uitspraken van Hof Amsterdam 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, en van Hof Arnhem van 27 augustus 2002, nr. 01/01610, LJN: AE8932. Een redelijke uitleg van deze wettelijke bepalingen leidt naar het oordeel van de hoven tot de conclusie dat ter zake van het verstrekken van kopieën als de onderhavige uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën, afschriften etc. in enge zin door middel van het heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot de kosten die alsdan in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende originelen. Het kosteloos ter inzage leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze gevallen voorschrijft, impliceert eventuele opzoek- en opbergwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd. In zijn uitspraak van 3 oktober 2002, nr. 99/30246, LJN: AE9620, overweegt Hof 's- Hertogenbosch dat bij de vaststelling van de tarieven toetsing aan de opbrengst-norm van artikel 229b van de Gemeentewet zowel per dienst of per samenhangende groep van diensten als per het totaal van de in de verordening genoemde diensten toelaatbaar is, zij het dat een gemeente in dit opzicht een consequente lijn dient te volgen. Blijkens constante jurisprudentie staat de hoogte van de tarieven niet ter beoordeling van de belastingrechter, tenzij de verordening zou leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad. Eerste lid Voor de tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening. Tweede lid In het tweede lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die diensten, waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en dergelijke is gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel niet steeds te worden vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of bladzijden voor een geheel uur of een gehele bladzijde zullen worden gerekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel