Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

Termijnen van betaling

Onderdeel van Verordening Leges 2009

In de praktijk zullen aanvragers van diensten waarvoor leges geheven worden vaak aan het loket verschijnen. Kan de aanvraag onmiddellijk in behandeling worden genomen dan ligt het voor de hand dat de leges onmiddellijk worden betaald. Hierin voorziet het bepaalde in artikel 7 van de verordening. Indien de kennisgeving mondeling wordt gedaan dan dient er betaald te worden op het moment van het doen van de kennisgeving. Wordt de kennisgeving (bijvoorbeeld een nota) uitgereikt dan dient er betaald te worden op het moment van het uitreiken van de kennisgeving. Als de kennisgeving wordt toegezonden, dan is in artikel 7, lid 3, bepaald binnen hoeveel dagen betaald moet worden. De dagtekening van de kennisgeving (bijvoorbeeld een stempelafdruk) is onder andere van belang voor de belastingplichtige in verband met de termijn waarbinnen hij bezwaar kan maken tegen het van hem gevorderde bedrag. Het tijdstip waarop uiterlijk betaald moet worden is van belang voor het eventueel in gang zetten van de dwanginvordering. Het ontstaan van de (materiële) belastingschuld is overigens niet in de verordening geregeld. Dit hangt samen met het feit dat bij de leges het ontstaan van de belastingschuld samenvalt met het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet. De vraag is of het al of niet verlenen van de dienst afhankelijk gesteld kan worden van het al of niet betalen van de leges. De Invorderingswet 1845 kende een gesloten systeem van invorderingsmaatregelen. Dit houdt in dat de met de invordering belaste gemeenteambtenaar uitsluitend de invorderingsmaatregelen mag hanteren die hem door de wetgever uitdrukkelijk ter beschikking zijn gesteld. Onder de werking van de Invorderingswet 1845 werd dan ook algemeen de opvatting aanvaard dat het al of niet verlenen van de dienst niet afhankelijk mag worden gesteld van de betaling van de leges. Voor het invorderen van de leges stonden de gemeente immers slechts de middelen van de Invorderingswet 1845 ter beschikking. Op 1 juni 1990 is de Invorderingswet 1845 vervangen door de Invorderingswet 1990. Als uitgangspunt van de Invorderingswet 1990 is gekozen voor een open systeem van invorderingsmaatregelen. Dit betekent dat de belastingheffer dezelfde bevoegdheden heeft als andere schuldeisers. Daarenboven heeft hij nog de beschikking over bijzondere bevoegdheden. Niet uitgesloten is dat dit open systeem van de Invorderingswet 1990 het wel mogelijk maakt het verlenen van de dienst afhankelijk te stellen van de betaling van de leges. Voor dit standpunt is steun te vinden in de parlementaire behandeling van wetsontwerp 20.588, De invordering van Rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen (Invorderingswet 1990). Door de vaste Commissie voor Financiën werd de regering onder andere gevraagd in te gaan op de stelling van de Unie van Waterschappen dat het uit overwegingen van behoorlijk bestuur niet mogelijk is om de afgifte van een vergunning afhankelijk te maken van het betaald zijn van leges. Het antwoord van de regering luidde: 'De door de Unie geponeerde stelling kunnen wij in haar algemeenheid niet onderschrijven. Veelal zal het juist passend zijn dat een prestatie door een overheidsorgaan wordt verricht als er zekerheid is dat ervoor betaald wordt. Dit is ook in het merendeel van de gevallen de praktijk. Men denke bijvoorbeeld aan de afgifte van paspoorten' (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 20.588, nr. 34). Met betrekking tot de in onderdeel 15.1.3 van de tarieventabel opgenomen dienstverlening -het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 7.1 van het Voertuigreglement - wordt dit uitdrukkelijk in artikel 7.2, derde lid, van het Voertuigreglement bepaald. Deze bepaling luidt: '3. Het bevoegd gezag laat de aanvraag buiten behandeling indien de aanvrager het in het eerste lid bedoelde tarief niet heeft voldaan of ter zake van het tweede lid in gebreke blijft. Het buiten behandeling laten geschiedt niet dan nadat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn alsnog aan zijn verplichtingen ter zake van de aanvraag te voldoen. '

Rechtspraak bij dit artikel