Ad. c
Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van het in de verordening voorkomende begrip
'grof bedrijfsafval' is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 2. Deze omschrijving is
gelijk aan de in de Wet milieubeheer opgenomen omschrijving.
Ad.d
Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en verplichtingen
die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig gelden voor de ambtenaar die
belast is met de heffing van de gemeentelijke belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond
van artikel 232 lid 2 sub a van de Gemeentewet aangewezen door het college.
Het begrip perceel
Op grond van het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en in samenhang met
het bepaalde in de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer kan een
afvalstoffenheffing worden geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel waar
in een particuliere huishouding huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Zodra derhalve
sprake is van een particuliere huishouding waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan,
kan, op voorwaarde dat de gemeente aan de inzamelverplichting voldoet, een
afvalstoffenheffing worden geheven. Een nadere omschrijving van het begrip perceel is voor
de heffing dan ook niet noodzakelijk. Door in de verordening wel een omschrijving van het
begrip perceel op te nemen zou het gevolg kunnen zijn dat daarmee een inperking van de
heffingsmogelijkheden ontstaat. Dit geldt ook voor een afbakeningsvoorschrift zoals dat in
sommige bestaande verordeningen is opgenomen met betrekking tot het begrip perceel.
Dergelijke voorschriften dienen er veelal toe om aan te geven dat slechts van een perceel
sprake kan zijn indien het object blijkens indeling en bestemming geschikt is om als
afzonderlijk geheel te kunnen worden gebruikt. Een voorbeeld van een dergelijke bepaling is
de uitspraak van Hof Arnhem van 14 december 1984, nr. 138/1984, Belastingblad 1985, blz.
254.Het Hof overwoog dat ingevolge het bepaalde in de verordening afvalstoffenheffing van
de gemeente Raalte onder 'perceel' moet worden verstaan 'een gebouwd onroerend goed - of
een gedeelte daarvan - dat blijkens inrichting en indeling bestemd is om als afzonderlijk
geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt'. Het Hof overwoog dat, nu
belanghebbende en zijn echtgenote niet kunnen beschikken over eigen sanitaire
voorzieningen (douche en toilet) en nu hun slaapkamer slechts via de gezamenlijke gang
bereikbaar is, belanghebbende niet kan worden aangemerkt als feitelijk gebruiker van een
perceel (NB: in feite concludeert het Hof dat geen sprake is van een perceel zodat er dan ook
geen feitelijke gebruiker kan bestaan). Om die reden is in de verordening afvalstoffenheffing
geen omschrijving van het begrip perceel opgenomen.
Om diezelfde reden is ook geen begripsomschrijving of definitie van het begrip voor
zomerhuisjes e.d. opgenomen. Een dergelijke begripsomschrijving zou slechts waarde
hebben om aan te geven dat de afvalstoffenheffing ook zal worden geheven ter zake van het
inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen die kunnen ontstaan in bijvoorbeeld zomerhuisjes,
stacaravans etc. Inmiddels staat blijkens de jurisprudentie voldoende vast dat in deze
gevallen zonder meer een afvalstoffenheffing kan worden geheven indien met betrekking tot
deze objecten de inzamelplicht geldt van de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet
milieubeheer. Derhalve is het niet wenselijk om in de verordening te bepalen dat
zomerhuisjes en stacaravans onder het begrip perceel vallen. Voor de gemeente is het
overigens wel van belang om te kunnen beschikken over enige aanwijzingen betreffende de
inhoud van het begrip perceel.
Dit is niet alleen voor de heffing van belang, maar ook voor het nakomen van de wettelijke
inzamelplicht. In de memorie van toelichting bij de Afvalstoffenwet (inmiddels is deze wet
vervallen en zijn de bepalingen opgenomen in de Wet milieubeheer), waarin met betrekking
tot de inzamelplicht het volgende is opgemerkt: 'De inzamelplicht geldt niet voor
huishoudelijke afvalstoffen welke vrijkomen in bijvoorbeeld kantines van bedrijven, ook al
zullen deze afvalstoffen, wanneer die bedrijven op de route liggen van de vuilniswagens,
meestal wel worden opgehaald. Is dat niet het geval dan dient de afvalproducent zelf zorg te
dragen voor de verwijdering ervan. Wat betreft het afval afkomstig van bejaardenoorden
wordt er in het algemeen van uitgegaan dat de inzameldienst dat afval zal ophalen. Vele
bejaardenoorden kunnen gezien worden als een collectiviteit van particuliere huishoudens,
zodat artikel 3 van de Afvalstoffenwet (thans de artikelen 10.21 en 10.22 van de wet
milieubeheer) daarop van toepassing is. Het afval van die instellingen waarbij, zoals bij
hotels, het bedrijfskarakter overheerst, zal door de inzameldienst worden opgehaald op grond
van afspraken die ter zake tussen de instelling en de inzameldienst zijn gemaakt.' Gelet op
deze passage uit de memorie van toelichting bij de Afvalstoffenwet besliste de Raad van
State met betrekking tot een jongensinternaat dat sprake was van een collectiviteit van
particuliere huishoudens, waarop artikel 3 van de Afvalstoffenwet (thans de artikelen 10.21
en 10.22 van de Wet milieubeheer) van toepassing is. Het betrof hier een vijftal afzonderlijke
wooneenheden. Elke wooneenheid, bestaande uit onder meer een gemeenschappelijke
woonkamer en keuken, was geschikt voor de opvang van 12 jongeren (Afdeling rechtspraak
van de Raad van State 11 juli 1985, nr. R03.83. 6978). Elke afzonderlijke wooneenheid moet
in de afvalstoffenheffing worden betrokken.
Met betrekking tot het antwoord op de vraag of een object als perceel kan worden
aangemerkt, zullen de feitelijke omstandigheden vrijwel altijd van belang zijn. Vaste criteria
voor het al dan niet aanmerken van een object als perceel kunnen immers niet worden
gegeven. Het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27.597, BNB 1991/333,
Belastingblad 1992, blz. 47 (Ermelo) is hier van belang. Belanghebbende maakte feitelijk
gebruik van een serviceflat welke flat een keuken bevatte waarin zich onder meer een
aanrecht met gootsteen alsmede een losstaande tweepits elektrische kookplaat bevonden. De
keukenvoorziening was echter zodanig dat, zonder verandering daarvan, normaal koken niet
mogelijk was omdat voldoende apparatuur en luchtafvoer ontbraken. Normaal koken zou
zodanige dampen veroorzaken dat daardoor het brandalarm in werking zou treden.
Bovendien was de feitelijk gebruiker verplicht de warme maaltijden vanuit de centrale
keuken af te nemen. Het Hof oordeelde dat het appartement van belanghebbende niet kon
worden aangemerkt als een afzonderlijk perceel in de zin van de verordening, nu
belanghebbende voor het bereiden van gekookte maaltijden aangewezen was op elders in het
gebouw aanwezige voorzieningen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en
oordeelde dat ingevolge de verordening en de artikelen 10.11 (thans de artikelen 10.21 en
10.22) en 15.33 van de Wet milieubeheer aan de afvalstoffenheffing zijn onderworpen
degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel waarvoor de gemeentelijke
inzamelplicht geldt. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de afvalstoffenheffing wordt
geheven daar waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding
kunnen ontstaan. De Hoge Raad vervolgt: 'In overeenstemming met die strekking is slechts
dan niet sprake van een perceel in de zin van de Verordening indien het gaat om een gedeelte
van een onroerend goed dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren
van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen
ontstaan. Van dat laatste is in het onderhavige geval geen sprake nu belanghebbende blijkens
de vaststellingen van het Hof alleen voor zijn warme maaltijden is aangewezen op elders
aanwezige voorzieningen maar voor het overige zelf een huishouding voert waar geregeld
afvalstoffen ontstaan.'
In zijn uitspraak van 19 december 2003, nr. 38874, Belastingblad 2004, blz. 293, geeft de
Hoge Raad een positief geformuleerde definitie: een gedeelte van een onroerende zaak dat
blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding
waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan, is een perceel voor de afvalstoffenheffing. In
een uitspraak van 24 november 2000, nr. 99/3908 oordeelde Hof Amsterdam dat er sprake
was van zelfstandige gedeelten. Ondanks het feit dat er sprake was van een gezamenlijke
doucheruimte, een gezamenlijke voordeur en hal was het Hof van mening dat er sprake was
van zelfstandige gedeelten in de zin van de verordening.
In zijn arrest van 7 maart 2003 heeft de Hoge Raad bepaald dat de industriële bestemming
van een perceel niet aan de verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen in de
weg staat (HR 7 maart 2003, nr. 38055, LJN: AF5365.