Eerste lid
In dit artikel is de belastingplicht geregeld. Hierbij is aansluiting gezocht bij het bepaalde in
artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat als
belastingplichtige moet worden aangewezen degene die, al dan niet krachtens eigendom,
bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien
waarvan krachtens artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het
inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. De verplichting tot het inzamelen van
huishoudelijke afvalstoffen geldt voor ieder perceel waar in een particuliere huishouding
huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Zie hiervoor hetgeen in de toelichting op artikel
3 is opgemerkt.
Tweede lid
In dit artikellid is bepaald wie als gebruiker moet worden aangemerkt. Dit kan allereerst zijn
degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit,
beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel. Het gaat derhalve
om het feitelijk gebruik dat van een perceel wordt gemaakt. Niet als feitelijke gebruiker
wordt aangemerkt diegene die verantwoordelijk is voor het gebruik (bijvoorbeeld de
verhuurder), zonder het perceel zelf te gebruiken (HR 23 mei 1990, nr. 26 328, BNB
1990/239, Belastingblad 1990, blz. 470 (Tegelen). Hoewel na de inwerkingtreding van de
Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) bij de onroerende-zaakbelastingen in
bepaalde gevallen een ander dan de feitelijke gebruiker als belastingplichtige van de
gebruikersbelasting is aangewezen, kan voor de afvalstoffenheffing slechts de feitelijke
gebruiker belastingplichtig zijn. Wie de belastingplichtige gebruiker van een perceel is, zal
veelal kunnen worden bepaald aan de hand van het bevolkingsregister. Het feitelijk gebruik
kan worden afgeleid van de aanwezigheid van meubilair en andere goederen. Het gaat om de
beschikkingsmacht over een perceel. Feitelijke aanwezigheid van personen is geen vereiste.
Overigens besliste de Hoge Raad voor de onroerende-zaakbelastingen in zijn arrest van 28
oktober 1981, nr. 20 691, Belastingblad 1982, blz. 26 (Valkenisse), dat indien
recreatiewoningen telkens voor betrekkelijk korte perioden gemeubileerd worden verhuurd,
de verhuurder moet worden aangemerkt als degene die het feitelijk gebruik heeft van die
woningen (bij de Wet materiële belastingbepalingen is deze regeling in artikel 220b, eerste
lid, onderdeel c, van de Gemeentewet opgenomen voor de onroerende- zaakbelastingen). De
strekking van dit arrest is ook van toepassing op de afvalstoffenheffing. Een arrest waarbij in
dit verband de afvalstoffenheffing aan de orde was is Hoge Raad 1 december 1999, nr.
34301.In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor het begrip feitelijk gebruik moet
worden aangesloten bij de betekenis die aan dit begrip tot 1 januari 1995 werd toegekend in
het kader van de onroerende- zaakbelastingen. Dit brengt dus met zich mee dat voor de
afvalstoffenheffing de verhuurder van een perceel met een recreatiebungalow dat telkens
voor betrekkelijk korte perioden pleegt te worden verhuurd, feitelijk gebruik maakt van dat
perceel. Zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad inzake reinigingsrechten van 26
februari 1992, nr. 27 935, BNB 1992/141, Belastingblad 1992, blz. 389 (Winschoten) en
Hoge Raad inzake afvalstoffenheffing van 1 december 1999, nr. 34.301, Belastingblad 2000,
blz. 57 (Beilen).
In een procedure voor de belastingrechter is uitgemaakt dat de belastingplichtige niet het
gehele jaar feitelijk afvalstoffen behoeft mee te geven aan de inzameldienst wil er sprake
kunnen zijn van een afvalstoffenheffing (HR 12 maart 1986, nr. 23.497, BNB 1986/140,
Belastingblad 1986, blz. 313 (Reeuwijk). In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de
afvalstoffenheffing verbonden is aan het feitelijke gebruik van een perceel ten aanzien
waarvan de gemeente verplicht is de huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. Het gebruik
dat van de inzameldienst wordt gemaakt is daarbij derhalve niet relevant. Uitdrukkelijk
wordt hier dan ook opgemerkt dat de feitelijke gebruiker van een perceel waar
huishoudelijke afvalstoffen in een particuliere huishouding kunnen ontstaan in de heffing
kan worden betrokken. Dit betekent dat afvalstoffen niet feitelijk behoeven te ontstaan.
Indien sprake is van verschillende feitelijke gebruikers van een perceel, tezamen geen
huishouding vormend, dan kan de aanslag ten name van één van hen worden gesteld.
Verwezen wordt hierbij naar het arrest van de Hoge Raad inzake de onroerende-zaakbelastingen
van 3 februari 1988, nr. 25 017, BNB 1988/133, Belastingblad 1988, blz.
216 (Tilburg). De Hoge Raad overwoog dat ieder van de feitelijke gebruikers voor het geheel
in de heffing kan worden betrokken. De belastingplichtige is bevoegd om de verschuldigde
belasting te verhalen op zijn medebewoners. De strekking van dit arrest raakt evenzeer de
afvalstoffenheffing. Bij uitspraak van Hof Amsterdam van 29 april 1994, nr. 93/2462,
Belastingblad 1994, blz. 543 (Zeist) is dit standpunt bevestigd. Indien de gemeente bij het
aanwijzen van degene die feitelijk gebruik maakt van een perceel de keuze heeft, handelt het
college van burgemeester en wethouders, op grond van de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur, bij die keuze op basis van vastgesteld beleid. De in dit verband met
betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen gewezen jurisprudentie, strekt zich blijkens de
uitspraak van het Hof Amsterdam van 29 april 1994, nr. 93/2462, E VII, Belastingblad 1994,
blz. 543, ook uit tot de afvalstoffenheffing indien er een keuzesituatie bestaat voor het
aanwijzen van een belastingplichtige. Hiertoe zijn beleidsregels voor het aanwijzen van een
belastingplichtige in een keuzesituatie opgesteld.