1. Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag van
aftreding, voor zover hij als dan niet de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt, recht op een uitkering op de voet van de volgende
artikelen.
2. De raad kan beslissen dat geen uitkering wordt toegekend aan een
gewezen wethouder:
a. die zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands Nationaal
oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
b.die wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar zijn
oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands Nationaal oogpunt beschouwd
onwaardig heeft gedragen;
c.die overeenkomstig artikel X8 van de kieswet van het lidmaatschap van
de raad vervallen verklaard is;
d.wiens ontslag voortvloeit uit het feit dat hij zich aan kennelijk
wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak heeft schuldig gemaakt.
Onder grove verwaarlozing van zijn taak wordt begrepen het zonder
genoegzame grond weigeren de in artikel 196 Gemeentewet bedoelde
inlichtingen aan de raad te verstrekken.
3. Het in lid 1 bepaalde vindt geen toepassing indien de belanghebbende
zulks verzoekt.
Afdeling 1
Artikel 1
Het recht op uitkering
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders