1. De inkomsten die belanghebbende geniet worden met de uitkering
verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten verstaan
het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van
activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij
heeft opgehouden wethouder te zijn, geniet als
a. winst uit onderneming;
b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid.
Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
3. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als inkomsten
aangemerkt:
a. de inkomsten wegens de in het tweede lid bedoelde activiteiten ter
hand genomen door belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk
voorafgaand aan het tijdstip van aftreden;
b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij
gedurende zijn zittingstijd als wethouder op non-activiteit was
gesteld;
c. de vaste vergoeding die wordt genoten als raadslid.
4. Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid
inkomsten of hogere inkomsten, anders dan tengevolge van algemene
loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten,
ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het
derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
bepaalde in het eerste lid van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering,
vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, inclusief
vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarvan de uitkering is
afgeleid, overschrijdt.
6. Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan de
kinderbijslag alsmede de compensatie voor of de vergoeding van de premie
ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet,
welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De
vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing
voor zover de daarbedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden
geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni
1985.
7. Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer ter hand
nemen van enige arbeid of bedrijf, dan wel het gaan genieten van
inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in dit artikel, terstond
mededeling te doen aan burgemeester en wethouders onder opgave, voor
zover mogelijk, van de verwachte inkomsten, een en ander overeenkomstig
de voorschriften, hem door burgemeester en wethouders gegeven. Zijn de
inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig voor het
verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij
sinds het ter hand nemen van bedoelde werkzaamheden of sinds de vorige
opgave heeft genoten.
Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mee dat de
inkomsten over een langere termijn dan een maand moeten worden berekend,
dan wordt op de uitkering een mindering toegepast van een voorlopig
vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van
evenbedoelde termijn.
8. Burgemeester en wethouders kunnen bij de vaststelling van het bedrag
van de vermindering afwijken van de opgave van belanghebbende.
9. Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette
uitkeringen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4a, kunnen
burgemeester en wethouders andere inkomsten aanmerken als te zijn
genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.
10. Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht
erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van
burgemeester en wethouders in aanmerking komen omtrent zijn
omstandigheden alle inlichtingen te geven, welke voor de uitvoering van
deze afdeling nodig zijn.
Afdeling 1
Artikel 5
Korting wegens inkomsten
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders