wordt aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd,
gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie maanden.
2. Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan wordt
evenbedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen
waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke
zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een
vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de
uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige
kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3. Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en
tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van
die kosten ontoereikend is.
Afdeling 1
Artikel 9
Uitkering bij overlijden
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders