Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 21, onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen het gebruik van een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 21, onder a., onmogelijk maken, dan wel,
het gebruik van een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 21, onder a., zonder aanvullende voorziening niet adequaat is, dan wel,
een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 21, onder a., niet aanwezig is.
Artikel 23.
Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilversum 2013