Naar hoofdinhoud
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt. In geval het totaalbedrag van de op één aanslag-biljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 136,13 doch minder is dan € 1.361,34 en zolang de verschul-digde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de daartoe door de belastingplichtige gewezen bank- of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen betaald moten worden in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aan-slagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van het tweede lid geldt. In geval het totaalbedrag van de op één aanslag-biljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 136,13, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de daartoe door de belastingplichtige gewezen bank- of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen betaald moeten worden in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden ge-stelde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel