Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze, met andere
middelen, of met andere munten, dan aangegeven op of nabij de
parkeerapparatuur, in werking te stellen.
Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de
tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is
toegestaan:
een motorvoertuig te parkeren indien de
parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet
onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking
wordt gesteld;
een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de
parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is
verstreken.
Het in het tweede lid onder a vervatte verbod geldt niet wanneer
aan de eigenaar of houder van het motorvoertuig een vergunning
is verleend voor het parkeren op de betreffende categorie
parkeerplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is
voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd
met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Het in het tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing op
parkeerapparatuurplaatsen waar op grond onder a van de
verordening parkeerbelastingen naheffingsaanslagen worden
opgelegd wegens het niet betalen van verschuldigde
parkeergeld.
Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
bepaalde in het tweede lid van dit artikel.
Hoofdstuk
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren