Burgemeester en Wethouders kunnen een parkeervergunning
intrekken of wijzigen:
Op verzoek van de vergunninghouder;
wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de
vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar
uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;
wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de
omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van
de vergunning;
wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van
vergunningen komt te vervallen;
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan
de vergunning verbonden voorschriften;
wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning
onjuiste gegevens zijn verstrekt;
om redenen van openbaar belang.
Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een
vergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt
van het intrekken of wijzigen van de vergunning
schriftelijk in kennis gesteld;
Een besluit tot intrekken of wijzigen van een vergunning
wordt eerst genomen nadat de houder van de vergunning in
de gelegenheid is gesteld binnen een door het bevoegde
orgaan te stellen termijn zijn oordeel kenbaar te maken
omtrent het voornemen tot het nemen van dit besluit.
Deze bepaling blijft buiten toepassing in spoedeisende
gevallen en geldt voorts niet wanneer de wijziging of
intrekking een groot aantal vergunningen betreft.
Indien de parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1
sub e. of f. wordt een aanvraag voor een parkeervergunning door
dezelfde vergunninghouder, binnen 6 maanden na intrekking
geweigerd.
Hoofdstuk
Artikel 8:
Intrekken of wijzigen vergunning
Onderdeel van Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren