Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt
een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
recht heeft op bijstand.
Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
volgende wijze vastgesteld:
bij een periode tot 3 maanden: twintig procent van de
bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een periode van 3 tot 6 maanden: twintig procent van de
bijstandsnorm
gedurende drie maanden;
bij een periode van 6 maanden en langer: twintig procent van de
bijstandsnorm gedurende zes maanden.
Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld,
bedraagt de maatregel twintig procent van de bijstandsnorm
gedurende een maand.
Bij een combinatie van algemene en bijzondere bijstand wordt de
maatregel toegepast op de algemene bijstand.
In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij het
onverantwoord interen van het eigen vermogen een maatregel wordt
opgelegd van twintig procent over een zodanige periode dat het
bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg
van het te snel interen extra is verstrekt, doch maximaal vijf
jaar.
Onder onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt
verstaan een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan, welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal
de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zonodig aangevuld met
een bedrag voor de ziektekostenverzekering.
In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd het
bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt een tekortschietend
besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het
door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
arbeid, waaronder begrepen deeltijdarbeid en gesubsidieerde
arbeid” gelijkgesteld aan een gedraging van de tweede categorie
als bedoeld in artikel 9. Voor het bepalen van de hoogte van de
maatregel is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand
of de langdurigheidstoeslag worden geweigerd, indien het beroep
op bijzondere bijstand dan wel de langdurigheidstoeslag het
gevolg is van tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid.
Hoofdstuk 3:
Artikel 11:
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening wet werk en bijstand gemeente Laarbeek 2013