Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Intrekking (ligplaats)vergunning

Onderdeel van Verordening op de Bedrijfsvaartuigen 2010

1.. Burgemeester en Wethouders kunnen de (ligplaats)vergunning intrekken indien: de (ligplaats)vergunning ten gevolge van onjuiste opgave of informatie is verleend; de gegevens in de (ligplaats)vergunning niet meer overeenstemmen met dewerkelijke situatie; niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften; het vaartuig (waaronder bedrijfsvaartuig, passagiersschip, terrasboot en pleziervaartuig), de balken, bomen, planken of visbunnen waarop de (ligplaats)vergunning betrekking heeft naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; het vaartuig (waaronder bedrijfsvaartuig, passagiersschip, terrasboot en pleziervaartuig) waarop de (ligplaats)vergunning betrekking heeft niet meer voldoet aan de door Burgemeester en Wethouders vastgestelde eisen van veiligheid; op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de (ligplaats)- vergunning; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden nahet verlenen van de vergunning, de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist, intrekking of wijziging wordt gevorderd; de vergunninghouder hierom verzoekt; de vergunninghouder zijn betalingsverplichtingen inzake het verschuldigde binnenhavengeld niet nakomt; de vergunning strijdig blijkt te zijn met een vergunning, die op grond van het Ligplaatsenplan behorend bij de Woonschepenverordening 2009 is verleend dan wel verleend kan worden. k. het niet aannemelijk is dat de vergunninghouder de ligplaats waarvoor een vergunning voor een pleziervaartuig is verleend daadwerkelijk in gebruik zal nemen.

Rechtspraak bij dit artikel