Naar hoofdinhoud
De opbouw van groepen en minimale bezetting per groep is als volgt: Van een peuterspeelzaallocatie die uit 4 of meer groepen bestaat, bestaat de laatste groep uit tenminste 11 peuters. Dit aantal is derhalve het minimum aantal peuters waaruit een nieuw te starten groep moet bestaan. Wanneer bij een bestaande groep het aantal van 11 peuters niet gehaald wordt, moet deze groep worden opgeheven, tenzij op grond van demografische prognoses het vermoeden gerechtvaardigd is dat de groep binnen een periode van twee jaar weer uit meer dan 11 peuters zal bestaan. Van een peuterspeelzaallocatie die uit 2 of 3 groepen bestaat, bestaat de laatste groep uit tenminste 6 peuters. Dit aantal is derhalve het minimum aantal peuters waaruit een nieuw te starten groep moet bestaan bij een peuterspeelzaal die uit 1 of 2 groepen bestaat. Wanneer bij een bestaande groep het aantal van 6 peuters niet gehaald wordt, moet deze groep worden opgeheven, tenzij op grond van demografische prognoses het vermoeden gerechtvaardigd is dat de groep binnen een periode van twee jaar weer uit meer dan 6 peuters zal bestaan. De enige groep van een peuterspeelzaal moet uit tenminste 8 peuters bestaan. Wanneer het aantal van 8 peuters niet gehaald wordt, moet deze groep en daarmee de peuterspeelzaallocatie worden opgeheven, tenzij op grond van demografische prognoses het vermoeden gerechtvaardigd is dat de groep binnen een periode van twee jaar weer uit meer dan 8 peuters zal bestaan. Overgaan tot sluiting van een peuterspeelzaallocatie kan uitsluitend met toestemming van burgemeester en wethouders.

Rechtspraak bij dit artikel