Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of
vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag
tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend.
De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de
ambtenaar geldende salaris per uur en wel
20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8
uur en tussen 18 en 22 uur;
40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6
uur en tussen 22 en 24 uur;
45% voor de uren op zaterdag;
70% voor de uren op zondag;
100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 21,
vijfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, Eerste
Paasdag en Eerste Pinksterdag, met dien verstande dat genoemde
percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per
uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer
10 van salarisschaal 7.
Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt
de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7
uur, respectievelijk is beëindigd na 19 uur.
In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid ontvangt
de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar
bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5
jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het
eerste lid heeft genoten.
De toelage bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld op het bedrag
dat de ambtenaar over de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de
maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan
toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten en wordt aangepast
aan algemene salariswijzigingen.
Voor de toepassing van het vierde lid wordt onder wezenlijke
onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.
In bijzondere gevallen kan een regeling worden getroffen, welke het
bepaalde in de vorige leden aanvult of daarvan afwijkt.