De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
geweigerd als:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
aanwezig was, tenzij daartoe op grond van betaalde arbeid of
studie verhuizing naar de gemeente Doetinchem noodzakelijk is en
op dat moment geen geschikte woning beschikbaar is;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
tenzij het college daarvoor tevoren schriftelijk toestemming
heeft verleend;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
ruimten;
belanghebbende heeft nagelaten tijdig de noodzakelijke
voorziening(en) te treffen welke in redelijkerwijs van
belanghebbende verwacht mag worden en welke oplosbaar zijn of
waren binnen de eigen mogelijkheden. Het niet treffen van deze
voorzieningen komt ten risico en rekening van
belanghebbende;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele
jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden.
HOOFDSTUK 7
Artikel 7.7
Weigeringgronden
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2013