**1..** Indien de belanghebbende door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid, niet heeft behouden wordt de uitkering gedurende 1 maand verlaagd met 100%. Bij het niet behouden van arbeid van geringe omvang wordt de hoogte van de maatregel vastgesteld naar de mate waarin belanghebbende inkomen heeft verloren.
**2..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, niet zijnde de gedragingen zoals genoemd in lid 1 en 5 van dit artikel en artikel 19 van deze verordening, dan wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
**3..** De maatregel als bedoeld in lid 2 wordt op de volgende wijze vastgesteld:
**a..** 10% van het benadelingbedrag als dit lager of gelijk is dan € 4.000
**b..** 20% van het benadelingbedrag als dit hoger is dan € 4.000.
**4..** Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld bedraagt de maatregel 20% van de uitkering gedurende één maand.
**5..** Bij het versneld interen van vermogen of het hebben gedaan van een schenking waarmee rekening zou zijn gehouden bij het verlenen van de bijstand, kan voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn een maatregel worden opgelegd van 100%. Deze maatregel geldt alleen voor de WWB.
**6..** Als toepassing van lid 5 leidt tot onbillijkheden wordt toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 48 tweede lid onder b van de WWB en wordt de uitkering verstrekt in de vorm van een geldlening voor de duur van het eerder dan wel langer bijstandsafhankelijk zijn.
§ 3.2
Artikel 18
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz