Burgemeester en wethouders kunnen een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 intrekken indien:
niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot omzetting;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nagekomen;
de houder van een omzettingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 zich niet als een goed verhuurder gedraagt;
vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat het in stand houden van de vergunning voor het omzetten van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte leidt tot een verstoring van een geordend woon- en leefmilieu van het gebouw en/of de omgeving van het gebouw waarop de vergunning betrekking heeft;
de houder van een omzettingsvergunning het gebruik van het pand waarvoor de omzettingsvergunning is verleend, heeft beëindigd.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.8