a. Relatie met de omgeving
de kleinste bepalende eenheid van het gebied omvat op zichzelf staande gebouwen (zowel stolpboerderijen als minder typerende woningen) op een erf
de hoofdrichting van de bebouwing dient in principe evenwijdig te zijn aan de zijdelingse perceelgrenzen
de bebouwing dient vrij op het erf te staan, enigszins teruggelegen van de straat
b. Massa en opbouw
voor de hoofdvorm dient het uitgangspunt te zijn, één lage begane-grondlaag plus piramidevormig dak.
de maat van de stolp varieert van klein, bij een plattegrond van 12.00 bij 12.00 meter, tot groot bij een plattegrond van 20.00 bij 20.00 meter; een stolp is niet altijd vierkant, maar kan ook rechthoekig zijn
de dakhelling is tenminste 45°, maar bij voorkeur steiler tot 56°
aan de buitenzijde van een stolpboerderij moet in principe tot uitdrukking komen dat een stolp van oorsprong bestaat uit een woongedeelte (grotere openingen in de gevels) en een werkgedeelte (kleinere openingen in de gevels met veelal een darsdeur)
een eventueel staartstuk is in maatvoering ondergeschikt aan het hoofdvolume en is aangebouwd aan de achtergevel
een stolpboerderij verdraagt moeilijk een ander aangebouwd gebouw dan een staartstuk; soms behoort een bescheiden serre tegen de zij- of achtergevel tot de mogelijkheden
de tegenstelling tussen het open muurwerk en het gesloten, massieve dak dient te worden behouden
concentreer grote ingrepen zoveel mogelijk op één punt
een dakkapel mag alleen op de voorgevel en achtergevel worden geplaatst
dakvensters en zonnecollectoren zijn toegestaan, mits de maat in verhouding staat tot het oppervlak van de kap en overige reeds aanwezige elementen daarin
vlakke dakramen hebben een staande diagonaal en dienen op een rij te worden geplaatst (geen strookramen)
kleine raampjes mogen verspreid in de kap liggen
loggia’s zijn alleen aan de achterkant toegestaan
het ouder maken van de stolp door het toevoegen van elementen of details die horen bij een voorbije stijlperiode en nooit onderdeel van het gebouw geweest zijn, is ongewenst
maak duidelijk onderscheid in massa en vormgeving tussen hoofdgebouw en bijgebouwen
bijgebouwen dienen zich bij voorkeur achter het hoofdgebouw te bevinden
bijgebouwen dienen vrij te staan van de overige gebouwen
een stolp heeft in principe geen balkon
c. Detaillering, materiaal en kleurgebruik
de voorgevel dient een rijker karakter te hebben dan zij- en achtergevel
extra aandacht in detaillering is vereist voor: voordeuren, garagedeuren, gootbakken, boeiboorden, windveren, dakkapellen, kozijnen, hekwerk, dorpels, lateien, vensterbanken
een subtiel, maar waarneembaar reliëf in de gevel door middel van neggen, kozijnhout, onderdorpels, gootlijst etc, is gewenst
de ramenkozijnen van het woonhuis gedeelte dienen te bestaan uit een schuifraam met wisseldorpel en roedeverdeling
glasroeden mogen alleen in ramen worden geplaatst en dienen van hout te zijn; dikte ± 28 millimeter
de elementen in de gevel (deuren, ramen etc) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel
gebruik als hoofdmateriaal van de gevel baksteen in aardtinten of geel/oranje, al dan niet in combinatie met houten delen; andere materialen zijn hieraan ondergeschikt; de dakbedekking dient te bestaan uit keramische dakpannen of riet
het toepassen van riet op een dak is alleen toegestaan als dat oorspronkelijk ook was toegepast
niet toegestaan zijn: wit/grijze steen/kalkzandsteen, beton en kunststof of aluminium beplating
het gebruik van kunststof is niet toegestaan, tenzij sprake is van houtgelijkende materialen en detailleringen
bij restauratie/verbouwing dienen materialen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de oorspronkelijke materialen (hout, betimmeringen, deuren, ramen, kozijnen, voegspecie en gevelstenen)
gebruik voor het landelijk gebied kenmerkende kleuren: voor kozijnen en lijsten gebroken wit en ramen en deuren (draaiende delen) donkere kleuren (voornamelijk donker groen)
Hoofdstuk 2 › § 2.3. Welstandscriteria voor specifieke bouwwerken
Artikel Objecgerichte welstandscriteria voor (stolp)boerderijen
Artikel Objecgerichte welstandscriteria voor (stolp)boerderijen
Onderdeel van Welstandsnota Waterland 2013