Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.3. Welstandscriteria voor specifieke bouwwerken

Artikel Objectgerichte welstandscriteria voor vergunningplichtige dakkapellen

Artikel Objectgerichte welstandscriteria voor vergunningplichtige dakkapellen

Onderdeel van Welstandsnota Waterland 2013

a. Plaatsing bij een dakvlak doorgaand over meer dan één verdieping dient de dakkapel in het onderste deel van het dakvlak geplaatst te worden ingeval van een mansardekap dient de dakkapel in het onderste dakvlakdeel geplaatst te worden dakkapellen mogen niet boven elkaar geplaatst worden op een bijbehorend bouwwerk mag geen vergunningplichtige dakkapel geplaatst worden. de dakhelling van het betreffende dakvlak moet tenminste 30° zijn de afstand vanaf de nok en hart bouwmuur alsmede vanaf de kopgevel moet minimaal 0.90 meter zijn de afstand tussen goot en onderkant dakkapel moet minimaal 0,50 meter zijn en mag niet meer bedragen dan 1,50 meter de afstand tussen een kilkeper of hoekkeper en een dakkapel mag nergens kleiner zijn dan 0.90 meter b. Hoogte plafondhoogte ter plaatse van de dakkapel minimaal 2,10 meter hoogte van het voorvlak van de dakkapel, verticaal gemeten, maximaal 1,50 meter gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde dakkapel; bij hoge dakvlakken is een hoogte van 1,75 meter acceptabel c. Breedte aan achterkant en zijkant niet meer dan de 50% van de gemiddelde breedte van het dakvlak aan voorkant niet meer dan 50% van de gemiddelde breedte van het dakvlak tot maximaal 3,00 meter d. Cumulatie aan achterkant en zijkant mogen meerdere dakkapellen worden geplaatst tot maximaal 50% van de gemiddelde breedte van het dakvlak aan voorkant mag maximaal één dakkapel worden geplaatst e. Algemene vormgeving bij meerdere dakkapellen in een dakvlak dient sprake te zijn van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn met een minimale tussenruimte van 1.00 meter dakkapellen mogen aan de buitenzijde geen gesloten kistachtige borstwering hebben wanneer een dakkapel wordt geplaatst op een woonhuis dat onderdeel uitmaakt van meerdere gelijke of gelijksoortige woningen, dan dient het uiterlijk van de dakkapel alsmede de hoogte en de hoogteplaatsing in het dakvlak overeen te komen met eventuele eerder geplaatste dakkapellen op dit woningtype f. Materiaal, kleur en detaillering materiaal, kleur en detaillering moet afgestemd zijn op het hoofdgebouw g. Platdak/kap een dakkapel dient in principe plat te worden afgedekt bij een dakhelling van tenminste 45° mag een aangekapte dakkapel worden toegepast bij een aangekapte dakkapel moet boven de dakkapel tenminste vier rijen met dakpannen en minimaal 1,20 meter overblijven een aangekapte dakkapel dient een gelijke dakbedekking te krijgen als het betreffende dakvlak een dakkapel met een zadeldakje dient bij voorkeur een gelijke dakbedekking te krijgen als het betreffende dakvlak, maar kan ook voorzien worden van een zinken, koperen of ander in het gebied gebruikelijke dakbedekking en Vrijstellingen Met inachtneming van vorenstaande criteria wordt in de onderstaande situaties vrijstelling verleend van de bovenstaande welstandscriteria voor vergunningplichtige dakkapellen: bij een goothoogte die overeenkomt met de hoogte van de eerste verdiepingsvloer of ten hoogste 50 centimeter daarboven is gelegen, voor een dakkapel in het achtergevel dakvlak breder dan de helft van de gemiddelde breedte van het dakvlak tot maximaal de gehele gevelbreedte minus 50 centimeter aan beide zijden van de dakkapel bij woningen die zich in een gesloten bebouwing bevinden (waarvan de achtergevels dus niet zijn gericht naar de openbare buitenruimte, maar naar andere woningen), bij een goothoogte die overeenkomt met de hoogte van de tweede verdiepingsvloer of ten hoogste 50 centimeter daaronder of daarboven is gelegen, voor een dakkapel in het achtergevel dakvlak breder dan de helft van de gemiddelde breedte van het dakvlak tot maximaal de gehele gevelbreedte minus 50 centimeter aan beide zijden van de dakkapel bij een vrijstaande woning, voor een bredere dakkapel aan de voorkant dan 3,00 meter, maar niet meer dan de helft van de gemiddelde breedte van het dakvlak voor een dakkapel op de muurplaat (dakopbouw), wanneer de hoogte van deze muurplaat ten opzichte van het vloerpeil hiervoor aanleiding geeft (borstwering ± 0.90 meter hoog) voor het plaatsen van een dakkapel op de gezamenlijke bouwmuur bij een twee-onder-een-kap woning, wanneer gelijktijdig op beide woningen deze dakkapel wordt gebouwd voor het plaatsen van een dakkapel met een schuindak (aangekapt) bij een dakhelling kleiner dan 45° tot een dakhelling van tenminste 38°, waarbij de lengte van het resterende dakvlak boven de dakkapel tenminste zo groot dient te zijn als de lengte van het dakvlak van de dakkapel.

Rechtspraak bij dit artikel