HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1.1. Begripsbepaling
In deze Welstandsnota wordt verstaan onder::
a. beschermd stads- of dorpsgezicht: gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde door de Minister is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet;
b. beschot: afwerking van een wand met planken, schroten of rabatdelen;
c. bijbehorend bouwwerk: een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht.
d. blinde muur of gevel: gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.
e. borstwering: lage dichte muur tot borsthoogte.
f. boeibord: opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
g. boerderij: gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis waaronder de stolp, kop-hals-romp en andere typen.
h. bouwblok: een aan alle zijden door straten, wegen of groen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt.
i. bouwlaag: verdieping van een gebouw.
j. bovenbouw: het bovendeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de schuine kap van een huis met de daarbij behorende kopgevels; bij een erker het deel dat op de (gemetselde) plint wordt geplaatst.
k. dakkapel: uitbouw op een hellend dakvlak.
l. dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
m. drager en invulling: de drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werd gebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden).
n. ensemble: architectonische en stedenbouwkundige compositie van meerdere panden.
o. erker: kleine toevoeging van ten hoogste één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas.
p. geleding: verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen.
q. gepotdekseld: gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering tegen te gaan.
r. gootklos: in de muur bevestigd stuk balk ter ondersteuning van een goot
s. goedjaarseind: van oorsprong een aanbouwtje aan een schuur met schuine kap voor het vee; ondergeschikt aan de hoofdvorm van de boerderij; tegenwoordig vaak als woonfunctie bij het woonhuis.
t. kaakberg/kapberg: een hooiberg waarvan de zijkanten zijn dichtgemaakt met hout.; de schuur is van houtskelet en de kap wordt gedragen door vier kolommen; het beeld is een vierkante houten schuur.
u. kop: in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw
v. latei: draagbalk boven gevelopening
w. lessenaarsdak: dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak
x. lijst: een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel
y. maaiveld: bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht
z. makelaar: verticale balk op de kopse kant van een zadeldak, die oorspronkelijk ter ondersteuning was maar vanaf de negentiende eeuw vooral decoratief is
aa. mansardekap: dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat
ab. metselverband: het zichtbare patroon van metselwerk
ac. middenstijl: vertikaal deel in het midden van deur- of raamkozijn.
ad. nok: horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak
ae. onderbouw: het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met een zadeldak
af. ondergeschikt: voert niet de boventoon
ag. op vlucht staan: dat een houten topgevel iets voorover helt, waardoor deze loodrecht lijkt te staat; een loodrechte topgevel lijkt, als gevolg van gezichtsbedrog, achterover te hellen.
ah. overstek: bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel
ai. parcellering: indeling in percelen
aj. plaatmateriaal: bouwmateriaal dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (onder andere trespa) of staal (vlak of met profiel)
ak. plint: een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw
al. poer: rechthoekige of trapeziumvormige stenen ondersteuning, onderdeel van fundering
am. rabatdelen: een wand, waarvan de horizontaal aangebrachte planken met messing en groef in elkaar grijpen en waarbij in aansluiting aan de messing (aan de bovenkant) een hol is geschaafd
an. rollaag: horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand
ao. rooilijn: lijn die de grens aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden
ap. schilddak: dak met tenminste drie hellende vlakken
aq. stolp: boerderijtype met wonen, werken en stallen onder één groot dak
ar. textuur: de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk)
as. trendsetter: een eerder ontwikkeld soortgelijk (standaard) bouwplan, waarover de welstandscommissie een positief advies heeft uitgebracht
at. voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk
au. voorkant: de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorkant van een gebouw; en de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde direct grenst aan de weg of openbaar groen
av. windveer: plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen
aw. wolfseind: schilddak met afgeschuinde punten.
ax. zadeldak: dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen
ay. zijgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk