Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 2.2.

Artikel 2.26a

Planlocatie Kloosterdijk 2

Onderdeel van De raad van de gemeente Waterland,

1.. Gebiedsbeschrijving Gebied Planlocatie Kloosterdijk 2 beslaat het gebied dat in bijlage 1 (Gebiedsaandui­dingen) van deze welstandsnota is aangegeven als Afbeelding P. 2.. Waardebepalingen en beleid Ontwikkelingen In de toekomstige situatie zal de opzet van het terrein grotendeels veranderen. Een perceel met bedrijfsgebouwen, waaronder een bedrijfswoning, wordt gewijzigd naar een gebied met in totaal 5 woningen, waaronder 1 meergeneratiewoning. De volgende randvoorwaarden voor de ontwikkeling van de locatie worden meegegeven: Uitstraling van de bebouwing De bebouwing vormt een bijzonder buitendijks accent aan de Purmer Ee. De gebouwen hebben zowel een oriëntatie op de dijk als op het water, staan los op de kavel op een groene voet. Landschappelijke inpassing De kwaliteit van de locatie betreft de ligging aan het water en de openheid van het veenweidelandschap (recreatieve waarde, rust en ruimte). Natuurlijk verloop van de oever intact houden. Eventuele natuurcompensatie kan plaatsvinden ter versterking van de kwaliteit van de oevers. Eventuele watercompensatie kan plaatsvinden ter versterking van het eilandkarakter van de twee deelgebieden. Het plangebied zoekt aansluiting bij het landschap en het water met een fijne bebouwingskorrel, vrijstaande woningen en een transparante setting. Ligging in de rand van Monnickendam De kwaliteit van de locatie betreft de goede ontsluiting per weg, de nabijheid van openbaar vervoer en de nabijheid van het stedelijke gebied van Monnickendam (voorzieningen) en het beschermd stadsgezicht van Monnickendam (recreatieve waarde). Maatvoering Woningen en bijgebouwen sluiten zoveel mogelijk aan op de maatvoering van nieuwe woningen in het buitengebied. Alleen voor de meergezinswoning is een hoogte van twee bouwlagen met kap toegestaan. Uitgangspunt is een uit meerdere massa’s samengesteld gebouw met een totaal volume van max. 1533m3 en een bijbehorend complex van bijgebouwen van maximaal 360 m2. 3.. Gebiedsgerichte welstandscriteria woningen Relatie met de omgeving Landelijke woning met grote groene voet. Bebouwing en tuinen gericht naar het landschap. De hoofdrichting van het gebouw is evenwijdig aan de zijdelingse perceelsgrenzen. Bij de beide oostelijke kavels is de hoofdrichting van het gebouw alleen evenwijdig met de perceelsgrens tussen de beide kavels. Ontsluiting van de woning vanaf de dijk. Daarnaast ook oriëntatie op het water. Massa en opbouw van het gebouw Gebouw staat vrij op de kavel, op enige afstand van de dijk. Het hoofdgebouw is een samenspel van eenvoudige hoofdvormen, welke in materiaal– en/of kleurgebruik herkenbaar zijn. Gebouwen zijn afgedekt met een duidelijk zadeldak. Bijgebouwen refereren in kleurstelling en materialisatie aan de karakteristiek van het gebied Detaillering, materiaal- en kleurgebruik De gevelopeningen dienen in verhouding te zijn met de opbouw van de gevel. Gebruik materiaal dat voor het gebied kenmerkend is, dus hout en steen voor gevelvlakken. Het gebruik van kunststof is niet toegestaan, tenzij sprake is van sterke houtgelijkende materialen en detailleringen. Traditioneel kleurgebruik, terughoudende kleuren. Kleurgebruik refereert aan de omgeving: donkere gevelbeplating, lichtere kozijnen, boeidelen en goten. De dove gevels aan de zijde van Kloosterdijk en N247 zijn geen blinde gevels. Groene erfafscheidingen gewenst. 4.. Beeldkwaliteit en openbare ruimte Terreininrichting In de planontwikkeling wordt rekening gehouden met de drooglegging van het terrein. Het terrein is als erf ingericht: 1 soort verharding. Geen hoge bomen, geen hoog opgaand groen, buitendijks terrein zoveel mogelijk open en transparant houden. Geen gebouwde erfafscheidingen (een poort– of damhek mag wel), en hagen zijn eventueel mogelijk. Ontsluiting en parkeren Gebruiken huidige ontsluitingen vanaf de Kloosterdijk. Het parkeren dient op eigen erf te worden opgelost. Inrichting waterkant Continuïteit oeverlanden en waterkant waarborgen; natuurlijk kronkelend verloop van de oever intact houden. Uitgangspunten zijn natuurvriendelijke oevers (met riet) en enkele ingerichte plekken aan het water. Oeverbeschoeiingen moeten worden uitgevoerd in hout of houtgelijkende materialen en dienen zo laag mogelijk te worden gehouden (max. 0,50 meter) en bij voorkeur met riet aangeplant; aanwezige hoogteverschillen op maaiveld moeten bij voorkeur met een natuurlijk talud worden opgevangen. Hekwerken als afscheiding met het water mogen de oever niet ontsieren, moeten transparant van karakter zijn, niet hoger dan 1 meter en minimaal 1 meter uit de oeverlijn geplaatst. Nieuwe steigers mogen, tenzij anders overlegd met het Hoogheemraadschap, maximaal 6 meter lang zijn 1 meter breed zijn en 1 meter het water insteken Voor de oostelijke kavels max 1 steiger per kavel binnen de oeverlijn. Bestaande steigers zijn 15 meter lang en mogen 1.80 meter breed (rolstoelvriendelijk). Bestaande palen in het water mogen worden opgewerkt tot steigers.

Rechtspraak bij dit artikel