Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 21.

Subsidiebedrag

Onderdeel van Deelverordening cultuursubsidies 2013

1.. Deelnemers aan tentoonstellingen van één of meer kunstenaars kunnen een bijdrage ontvangen in het subsidiabele tekort van de tentoonstelling van maximaal € 350,- per persoon, per tentoonstelling. 2.. Het subsidiabel tekort wordt berekend op basis van de subsidiabele tentoonstellingskosten -/- netto-opbrengsten uit verkopen. 3.. Als subsidiabele tentoonstellingskosten worden aangemerkt: de kosten die verband houden met de organisatie en inrichting van de tentoonstelling, zoals vervoer, verzekering, drukwerk, verzending van uitnodigingen, publiciteit, vernissage, zaalhuur, materiaalkosten van tijdelijke, eenmalige installaties, voor zover het materiaal na afloop van de tentoonstelling niet meer geschikt is voor hergebruik en toezicht, alsmede de kosten van het inlijsten van de kunstwerken. 4.. Niet subsidiabel zijn de kosten die verband houden met het vervaardigen van de tentoongestelde kunstwerken en de overige beroepskosten van de beeldende kunstenaar zoals atelierhuur, gereedschap etc. 5.. Per kalenderjaar kan aan een kunstenaar ten hoogste € 475,- in totaal worden uitgekeerd. 6.. Het maximale subsidiebedrag voor groepstentoonstellingen van tenminste zes kunstenaars bedraagt maximaal € 2.000,- in totaal. 7.. Aangezien de tentoonstellingsubsidie wordt verstrekt in de vorm van een achteraf vastgestelde declaratiesubsidie worden geen voorschotten op de subsidie verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel