1. Het college stelt binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Daarbij wordt het volgende in acht genomen:
a. indien de subsidieontvanger de in de verleningsbeschikking opgenomen activiteiten realiseert tegen een hoger bedrag dan is verleend, dient de subsidieontvanger de extra kosten uit eigen middelen te dekken;
b. indien de subsidieontvanger meer activiteiten realiseert dan in de verleningsbeschikking is opgenomen, dient de subsidieontvanger de kosten van deze extra activiteiten uit eigen middelen te dekken;
c. indien de subsidieontvanger minder werkzaamheden realiseert dan in de verleningsbeschikking is opgenomen, wordt bij de vaststelling van de subsidie uitgegaan van het niveau dat overeenkomt met het lagere prestatieniveau;
d. indien de subsidieontvanger, naar het oordeel van het college, naar aard en hoedanigheid andere activiteiten realiseert dan in de verleningsbeschikking is opgenomen, wordt bij de subsidievaststelling gehandeld overeenkomstig het bepaalde onder c;
e. indien de subsidieontvanger zich niet houdt aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de verleningsbeschikking, wordt de subsidie lager vastgesteld.
2. Indien de werkelijke kosten van de realisatie van de activiteiten lager zijn dan de subsidie die voor de realisatie van de activiteiten is verleend, wordt de subsidie lager vastgesteld met in achtneming van het bepaalde in artikel 15 van deze verordening.
3. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemd tijdstip is ontvangen, gaat het college zes weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling.
Hoofdstuk 9
Artikel 20
Vaststelling subsidie
Onderdeel van Algemene Subsidieverordening Vlaardingen 2011